|
AFDELING BEDRIJFSWERKZAAMHEDEN |
|
|
L123 |
Weigering van de aanvraag voor een merk van de Europese Unie
(artikel 7 en artikel 42, lid 2 UMV)
Alicante, 13/02/2020
INADAY
PO BOX 336
NL-7500 AH Enschede
NEDERLAND
Aanvraagnr.: |
018118118 |
Uw kenmerk: |
MBG0F |
Benaming van het merk: |
aqua
|
Merksoort: |
Beeldmerk |
Aanvrager: |
Aqua+ Sprinklersystemen B.V. Molenstraat 61a NL-7471 CK Goor NEDERLAND |
Het Bureau heeft op 4 oktober 2019 ingevolge artikel 7, lid 1, onder b) en c), UMV en artikel 7, lid 2, UMV bedenkingen geuit, aangezien het heeft vastgesteld dat het aangevraagde handelsmerk beschrijvend is en geen onderscheidend vermogen heeft, en wel om de redenen die in bijgevoegde brief zijn uiteengezet.
Na toekenning van een uitstel van termijn heeft de aanvrager op 15 januari 2020 zijn opmerkingen ingediend, die als volgt kunnen worden samengevat:
Het Engelstalige publiek zal de term AQUA niet opvatten als vloeistof of oplossing in de zin van chemische samenstellingen.
Het teken plus (+) heeft meerdere betekenissen.
Het merk heeft onderscheidend vermogen door de figuratieve elementen.
Niet alle aangevraagde waren werken op basis van water.
Het Bureau heeft eerdere vergelijkbare merken ingeschreven.
Ingevolge artikel 94 UMV is het de taak van het Bureau om een beslissing te nemen op basis van redenen of gronden waartegen de aanvrager verweer heeft kunnen voeren.
Na ruime overweging van de argumenten van de aanvrager heeft het Bureau besloten zijn bedenkingen te beperken naar aanleiding van het volgende:
De aanvrager stelt dat ‘alarmsystemen; ontruimingsinstallaties; alarm- en waarschuwingsapparaten; systemen voor branddetectie; signaleringssystemen gericht op branddetectie’ niet op water functioneren en dat daardoor het teken ook niet beschrijvend is voor deze waren.
Het Bureau is het met de aanvrager eens dat deze apparaten, installaties en systemen inderdaad niet functioneren op basis van water en niets met water van doen hebben. Ook is er geen directe beschrijvende verbinding te leggen met de onderhoudsdiensten in klasse 37.
Daardoor heeft het Bureau besloten om de bezwaren tegen de volgende waren en diensten in te trekken:
Klasse 9 alarmsystemen; ontruimingsinstallaties; alarm- en waarschuwingsapparaten; systemen voor branddetectie; signaleringssystemen gericht op branddetectie.
Klasse 37 Onderhoud, installatie en reparatie van brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden; technische advisering omtrent brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden; het uitvoeren en plannen van periodiek onderhoud van brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden.
Het bezwaar blijft gehandhaafd voor de overige waren, te weten:
Klasse 1 Brandblusmiddelen; samenstellingen voor het blussen van branden en voor brandpreventie; schuimsamenstellingen zijnde brandblusmiddelen.
Klasse 9 Brandblussystemen; sprinklerinstallaties; schuim- en blusgasinstallaties; bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen; watermistsystemen voor het blussen van branden.
Op grond van artikel 7, lid 1, sub c, UMV kunnen ‘merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten’ niet worden ingeschreven.
Het is vaste rechtspraak dat de in artikel 7, lid 1, UMV vermelde weigeringsgronden onafhankelijk zijn en een afzonderlijk onderzoek vereisen. Voorts moeten deze weigeringsgronden worden uitgelegd tegen de achtergrond van het algemeen belang dat aan elk ervan ten grondslag ligt. Het algemeen belang dat in aanmerking wordt genomen, moet andere overwegingen weerspiegelen naargelang van de betrokken weigeringsgrond (16/09/2004, C‑329/02 P, SAT/2, EU:C:2004:532, § 25).
Met het verbod op inschrijving van dergelijke tekens of aanduidingen als merk van de Europese Unie streeft artikel 7, lid 1, sub c, UMV een doel van algemeen belang na, inhoudend dat tekens of benamingen die de kenmerken van waren of diensten beschrijven waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, door eenieder vrij moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve dat die tekens of benamingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden. (23/10/2003, C‑191/01 P, Doublemint, EU:C:2003:579, § 31).
‘De tekens en aanduidingen waarop artikel 7, lid 1, sub c, UMV doelt, zijn die welke in het normale gebruik uit het oogpunt van de verbruiker kunnen dienen ter aanduiding, hetzij rechtstreeks, hetzij door vermelding van een van de essentiële eigenschappen ervan, van waren of diensten als die waarvoor de inschrijving is aangevraagd’ (26/11/2003, T‑222/02, Robotunits, EU:T:2003:315, § 34).
Op grond van artikel 7, lid 1, sub b, UMV kunnen ‘merken die elk onderscheidend vermogen missen’ niet worden ingeschreven.
Onder artikel 7, lid 1, sub b, UMV vallen met name die merken die het relevante publiek niet in staat stellen om bij een latere aankoop van de betreffende goederen of diensten de aankoopkeuze te herhalen, indien de ervaring positief was, of in geval van een negatieve ervaring, een andere keuze te maken (27/02/2002, T‑79/00, Lite, EU:T:2002:42, § 26). Dit is inter alia het geval met tekens die gewoonlijk voor het op de markt brengen van de betrokken waren of diensten worden gebruikt (15/09/2005, T‑320/03, Live richly, EU:T:2005:325, § 65).
De gespecialiseerde waren zijn vooral gericht op een gespecialiseerd publiek in de technische sector met name in de sector van de installatie van brandpreventie- en brandbestrijdings-installaties. Gezien de aard van de betrokken waren zal het bewustzijn van het relevante publiek groot zijn.
Echter, voor zover de diensten gericht zijn op een professioneel publiek met een meer dan gemiddelde oplettendheid en kennis van zaken impliceert dit niet automatisch dat een teken minder gemakkelijk door die consument zal worden opgevat als beschrijvend. Integendeel, het vergt minder intellectuele inspanning van de oplettende consument om een beschrijvende boodschap van een merk te zien. (12/07/2012, C-311/11 P, Wir machen das Besondere einfach, EU:C:2012:460, § 48). Verder zijn termen die doorgaans niet direct begrepen worden door het algemeen publiek wel duidelijk beschrijvend voor het relevante professionele publiek. Zeker als het teken is samengesteld uit begrippen die gebruikelijk zijn in het vakgebied van het professionele publiek, in dit geval de brandbestrijding en veiligheid sector. (11/10/2011, T-87/10, Pipeline, EU:T:2011:582, §§ 27, 28).
Dit overwegende, komt het Bureau tot de conclusie dat er geen reden is aan te nemen dat een grotere oplettendheid van een deel van het publiek een bepalende factor is bij het vaststellen dat dit merk daardoor niet-beschrijvend of onderscheidend is.
Het Bureau heeft in haar eerste bezwaar al aangegeven dat de aanduiding in het Latijn van het woord ‘Aqua’ voor het Spaanse, Italiaanse en Portugese publiek duidelijk de betekenis van ‘water’ heeft, ook al wijkt de spelling enigszins af van het Latijn. Voor het Engelstalige publiek betekent ‘Aqua’ in verband met de farmacie en scheikunde: ‘vloeistof’ of ‘oplossing in de zin van chemische samenstellingen’
Zoals de aanvrager al aangeeft is het mogelijk dat het Engelssprekende publiek de term AQUA niet zal opvatten als een ‘vloeistof’ of ‘oplossing in de zin van chemische samenstellingen’ in verband met de farmacie en scheikunde. Echter de term AQUA zal voldoende herkend worden als een term voor water, voor de Engelssprekende consument, maar zeker ook voor die consumenten die Spaans, Portugees of Italiaans begrijpen en verstaan.
Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat het relevante publiek bestaat uit een aanzienlijk deel van het publiek in het Europese Unie.
Wat betreft het plus (+) symbool dat deel uitmaakt van het ingediende merk heeft het Bureau al beargumenteerd dat een dergelijk (+) teken aan het einde van het woordelement ‘AQUA’ aangeeft dat de producten een meerwaarde bezitten of een grotere, betere eigenschap hebben. Dit teken beschrijft de kwaliteit van de producten en kan het merk geen toegevoegde onderscheidend vermogen verlenen. (zie onder andere: 25/11/2010, C-216/10 P, A+, EU:C:2010:719, § 32 and 08/11/2018 R 2290/2017-1, DOG+, § 16).
Ook al beschouwt de gemiddelde consument een merk als één geheel zonder de afzonderlijke delen verder te interpreteren, dan blijft toch het gegeven dat deze consument in eerste instantie het merk zal opdelen in die elementen die voor hem/haar een directe en concrete betekenis heeft. (13/02/2007, Mundipharma v OHIM — Altana Pharma (RESPICUR), T-256/04, EU:T:2007:46, par. 57, en of 8/07/2015, Deutsche Rockwool Mineralwoll v OHIM — Redrock Construction (REDROCK), T-548/12, EU:T:2015:478, par. 37).
Volgens de bovengenoemde betekenis is het ingediende teken ‘AQUA +’ beschrijvend voor de aangevraagde waren waartegen bezwaar is gemaakt. Het is voor de relevante consumenten onmiddellijk duidelijk, zonder een verdere overweging te hoeven maken, dat de brandblusmiddelen en de brandblusapparaten werken op basis van water. Verder begrijpt men direct dat de plus staat voor een bepaalde meerwaarde van de functie. Dat het niet direct duidelijk is of het hier om een meerwaarde in een bepaalde techniek gaat of een meerwaarde in de menging van water met chemicaliën is niet van belang. Water is bij de meeste brandtypen het aangewezen medium om branden te bestrijden en de term Aqua beschrijft exact dit medium. De term ‘AQUA +’ beschrijft exact het type blusmiddel water met een toevoeging of betere werking.
In het licht hiervan is het Bureau tot de juiste conclusie gekomen dat het relevante publiek zonder moeite het teken zal opvatten als de verwijzing naar water en het wiskundige teken plus (+), twee universeel bekende begrippen en daardoor eenvoudig herkenbaar.
Een merk bestaande uit een neologisme of een woord dat is samengesteld uit bestanddelen die elk op zich een beschrijving vormen van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, vormt zelf ook een beschrijving van de kenmerken van die waren of diensten in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, UMV, tenzij er een merkbaar verschil bestaat tussen het neologisme of het woord en de loutere som van de bestanddelen waaruit het is samengesteld: dit veronderstelt dat het neologisme of het woord, wegens het ongebruikelijke karakter van de combinatie met betrekking tot die waren of diensten, een indruk wekt die voldoende afwijkt van de indruk die wordt gewekt door de loutere samenvoeging van hetgeen wordt aangeduid door de bestanddelen waaruit het is samengesteld, zodat het meer is dan de som van die bestanddelen… (12/01/2005, T‑367/02 - T‑369/02, SnTEM, SnPUR & SnMIX, EU:T:2005:3, § 32).
Er is niets in de aanduiding ‘AQUA +’ aanwezig dat een mentaal proces bij de consument op gang brengt, dat kan worden opgevat als een kwinkslag of een dubbelzinnige boodschap. Het Bureau stelt dan ook vast dat het begrip ‘AQUA +’ dient te kunnen worden gebruikt door welke onderneming dan ook om hun waren op de markt aan te bieden en het is niet geschikt om de aangeboden waren als afkomstig van één onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen.
Het aangevraagde teken valt eveneens onder de weigeringsgrond van artikel 7(1) (b) UMV, omdat het kenmerken van de betreffende waren beschrijft en daardoor noodzakelijkerwijs elk onderscheidend vermogen voor deze waren mist (12.02.2004, C-363/99, Postkantoor, EU:C:2004:86, § 86). Ook hier moet worden bevestigd dat, aangezien het teken een duidelijke beschrijvende betekenis heeft met betrekking tot de waren waarvoor inschrijving wordt aangevraagd en waartegen bewaar is gemaakt, zal het effect van het merk op het relevante publiek van beschrijvende aard zijn, waardoor elke indruk dat het om de aanduiding van een commerciële herkomst zou gaan naar de achtergrond verdwijnt.
De Bureau is het met de aanvraagster eens waar zij opmerkt dat de aanvraag als geheel moet worden beoordeeld. Het is daarbij voldoende dat het aangevraagde merk, in zijn geheel beschouwd, enig onderscheidend vermogen heeft. De inschrijving van een teken als merk is niet onderworpen aan de vaststelling van een specifiek niveau van taalkundige of kunstzinnige creativiteit van de kant van de aanvrager van het merk. Het volstaat dat het merk het relevant publiek in staat stelt de herkomst van de waren of diensten te identificeren, zodat het publiek deze kan onderscheiden van die van andere ondernemingen (16/09/2004, C-329/02 P, SAT.2, EU: C: 2004: 532, § 41).
Niettemin handhaaft het Bureau de conclusie geformuleerd in het eerste bezwaar dat de aanvraag ‘AQUA +’ weliswaar bepaalde gestileerde elementen bevat die het in zekere mate vormgeven, maar dat deze elementen het aangevraagde merk, als geheel, geen onderscheidend vermogen geven.
Wat betreft de beeldelementen aanwezig in het aangevraagde teken dient te worden opgemerkt dat deze niet abstract zijn maar eerder gezien moeten worden in relatie tot de woordelementen. Het is niet nodig om vast te stellen of deze beeldelementen op zich geregistreerd kunnen worden. (02/07/2009, T 414/07, Main tenant une carte, EU:T:2009:242, § 38, 43). Deze overweging dient te worden te worden genomen met betrekking tot het gehele teken met alle daarin aanwezige woord- en beeldelementen tezamen. (01/11/ 2015 – R 1460/2015-5 – Bergbauern Käse (figurative mark) §18)
D
e
aanvraag, als geheel, bestaat uit een beschrijvende uitdrukking
‘AQUA’, ‘+’ en voorts uit beeldelementen, in het bijzonder
een weergegeven golvend lijntje wat een gestileerde vorm van
watergolven is. Verder is het woord weergegeven in een normaal
gangbare lettertype in een blauwe kleur.
De beeldelementen worden beschouwd in relatie tot de woordelementen. Het Bureau heeft er geen twijfel over dat, zoals ook eerder is overwogen, de weergave van het gestileerde lijntje en de kleur blauw door het overgrote deel van het relevante publiek zal worden opgevat als de weergave water dat rechtstreeks verwijst naar het woord AQUA in verband met brandblusmiddelen en -installaties. Deze combinatie van beeldelementen versterken slechts de inhoud van de boodschap ‘brand blussen met water’.
In dit verband dient te worden opgemerkt dat de inschrijving van een merk niet afhankelijk is van zijn mate van originaliteit of verbeeldingskracht, maar van hoe de gemiddelde consument het merk opvat en of hij/zij daarin een onderscheidingsteken ziet. Waar het om gaat is of het beeldmerk in zijn geheel beschouwd door de relevante consument voor de relevante waren als onderscheidingsteken zal worden opgevat. Net zomin als dat voor de combinatie van woordelementen van de aanvrage geldt, geldt dat voor het gebruik van de grafische vormgeving van de aanvrage.
De grafische elementen zijn slechts decoratief, namelijk het golflijntje, en het gebruik van de kleur blauw en de stilering van de woordelementen. Zij zijn niet voldoende om het teken onderscheidend vermogen te verlenen.
In het onderhavige geval mist de aanvraag, als geheel, onderscheidend vermogen. Niet alleen ontberen het woordelement en het plus teken onderscheidend vermogen, datzelfde geldt voor de beeldelementen, en voor de aanvraag als geheel, zoals al is vastgesteld. Niet valt in te zien hoe, zoals in het onderhavige geval, een samen brenging van uitsluitend beschrijvende en niet-onderscheidende elementen plotseling tot een onderscheidend merk zou leiden.
De aanvrager merkt op dat er reeds een aantal registraties bestaan voor woord/beeldmerken met aqua en plus (+) en beeldelementen.
De tekens bevatten de term ‘AQUA’ en ‘+’ met een toegevoegd woord ‘just’ of een geheel ander beeldelement in de plaats van de letter ‘Q’. Deze andere combinaties zijn niet te vergelijken met de combinatie van het ingediende merk. Daardoor is het vrijwel onmogelijk om een afdoende uitspraak te doen over het verschil in onderscheidend vermogen tussen de drie merken.
Wat betreft dit argument is het voldoende om op te merken dat volgens de vaste rechtspraak beslissingen ter zake van de inschrijving van een teken als merk van de Europese Unie op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten.‑ De vraag of een teken als merk van de Europese Unie kan worden ingeschreven moet derhalve alleen op basis van de UMV, zoals uitgelegd door de rechter van de Unie, worden beoordeeld en niet op basis van een eerdere praktijk van het Bureau (15/09/2005, C‑37/03 P, BioID, EU:C:2005:547, § 47; en 09/10/2002, T‑36/01, Glass pattern, EU:T:2002:245, § 35).
Het moet onderstreept worden dat het voor het Bureau niet mogelijk is om de motivatie van de onderzoekers te achterhalen waarom een ander teken wél is geaccepteerd voor registratie. De toetsing van registreerbaarheid van merken is altijd aan een evolutie onderhevig door veranderingen in het Verdrag of het ontstaan van nieuwe jurisprudentie. Het is het Bureau gelegen om zo veel mogelijk de zelfde richtlijnen voor toetsing te hanteren en willekeur te voorkomen middels interne richtlijnen, handleidingen (gepubliceerd via de EUIPO website) en trainingen om zo het algemene publieke belang te dienen en het register vrij te houden van beschrijvende of niet-onderscheidende tekens. Om tekens te accepteren louter en uitsluitend vanwege een eerdere acceptatie van mogelijk gelijksoortige tekens compromitteert het legaliteitsbeginsel van de uitvoering van het Unieverdrag.
‘Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling te verenigen moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren’ (27/02/2002, T‑106/00, Streamserve, EU:T:2002:43, § 67).
Om de hierboven uiteengezette redenen en ingevolge artikel 7, lid 1, onder b) en c), UMV en artikel 7, lid 2, UMV wordt de aanvraag van merk van de Europese Unie nr. 018118118 hierbij verworpen de volgende waren en diensten:
Klasse 1 Brandblusmiddelen; samenstellingen voor het blussen van branden en voor brandpreventie; schuimsamenstellingen zijnde brandblusmiddelen.
Klasse 9 Brandblussystemen; sprinklerinstallaties; schuim- en blusgasinstallaties; bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen; watermistsystemen voor het blussen van branden.
Het merk kan verder voor publicatie voor de overige waren, te weten:
Klasse 9 Alarmsystemen; ontruimingsinstallaties; alarm- en waarschuwingsapparaten; systemen voor branddetectie; signaleringssystemen gericht op branddetectie.
Klasse 37 Onderhoud, installatie en reparatie van brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden; technische advisering omtrent brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden; het uitvoeren en plannen van periodiek onderhoud van brandblussystemen, sprinklerinstallaties, alarmsystemen, ontruimingsinstallaties, alarm- en waarschuwingsapparaten, schuim- en blusgasinstallaties, bluswatervoorzieningen voor brandblussystemen, systemen voor branddetectie, signaleringssystemen gericht op branddetectie, watermistsystemen voor het blussen van branden.
Uit hoofde van artikel 67 UMV hebt u het recht tegen dit besluit in beroep te gaan. Krachtens artikel 68 UMV moet het beroep binnen twee maanden na de dag waarop deze beslissing is meegedeeld schriftelijk bij het Bureau worden ingesteld. Het wordt ingesteld in de procestaal van de bestreden beslissing. Een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep moet binnen vier maanden na diezelfde datum worden ingediend. Het beroep wordt pas geacht ingesteld te zijn nadat de beroepstaks van 720 EUR is betaald.
Steven Charles STAM